Droom

Goddank! Een douchehokje met een deurtje ervoor. Mijn hoofd, schouders en voeten zijn zichtbaar, maar de rest van mijn bleke lichaam blijft verborgen. Haastig was ik mij. Ik neem niet de tijd om van het weldadig warme water te genieten; mijn haar was ik later wel een keer. In de kleedruimte hangt aan een van de verchroomde haken een kostuum voor mij. Een antraciet colbertjasje met een bijpassende pantalon. Geen ondergoed, geen sokken, geen overhemd. Het pak valt mij veel te ruim om het lijf. Het slobberige jasje glijdt steeds van een schouder en de mouwen zijn veel te lang voor mijn armen en verbergen mijn handen volledig. De broek zwabbert in wijde plooien om mijn benen en zakt ruim over de zwarte schoenen. Het voelt afschuwelijk, met mijn blote voeten in dat stugge leren schoeisel. Als ik over straat loop, trap ik voortdurend met mijn hakken op de binnenkant van de broekspijpen, die zo lang zijn dat ze over de stenen slepen. Dit is geen doen.

Ik neem het trammetje, waarin ik de enige passagier blijk. Ook op straat is er niemand te zien, ik ben alleen in de stad. Met een rustig vaartje word ik door de straten gereden. Het ijzer van de wielen ruist door de rails en klikt over de tussenruimtes in de spoorstaven; in de bochten piept het dat het een lieve lust is. Soms springen er knetterende vonken van de bovenleiding. Het zonnetje schijnt er vrolijk op los en de ramen blinken in de gevels. Ik krijg allerlei liedjes in mijn hoofd, prachtige muziek met harmonische akkoorden, ontroerende melodielijnen, intrigerende tekstflarden, pakkende frasen. Als ik straks uitstap moet ik het onmiddellijk vastleggen allemaal, opschrijven, of inzingen op een tape. Zachtjes neuriënd probeer ik de muziek in mijn geheugen te verankeren, maar het trammetje gaat steeds harder rijden en verstoort het ritme.

Sneller ga ik, steeds sneller, schuin door de bochten, omhoog, omlaag, dit is geen trammetje, ik zit in het rijtuig van een woeste achtbaan, recht vooruit ga ik en dan hals over kop scherp rechtsaf en meteen linksaf en hortend schokt het wagentje omhoog, steeds hoger en hoger, steeds steiler, steeds langzamer, tot het karretje over de top kantelt en ik val loodrecht naar beneden, met een duizelingwekkende vaart over de kop in de looping, spiralend door de kurkentrekker, de laatste bocht en dan staat alles in één klap stil en met die klap wordt al het geweld en alle beweging in mijn lijf opgeslagen. Als ik uitstap golft het perron onder mijn voeten, de wereld draait en kolkt. Ik moet plat op mijn rug gaan liggen met mijn ogen dicht en dan nog voel ik mij omhoog vallen, opzij geslingerd worden, neerstorten. Ik wacht tot het ergste voorbij is. Dan kruip ik op de tast over de grond en ga met mijn rug tegen het muurtje van het wachthuisje zitten. Als ik mijn ogen open, slaat direct een golf van misselijkheid door mij heen. Het duurt lang. Veel later pas lukt het mij om op mijn trillende benen te gaan staan. Voorzichtig, met onvaste knieën, steunend tegen de muur, vensterbanken en kozijnen vastgrijpend, schuifel ik voetje voor voetje het stationsgebouwtje binnen. Hier is het aangenaam koel en donker. Van binnen is het veel groter dan van buiten. De ruimte is hoog, met veel galerijen en deuren en ramen. Vanuit de centrale hal vertakt zich een netwerk van tunnels naar alle richtingen. Uit een van die donkere ingangen komt een voertuig tevoorschijn, zwevend boven de grond, niet veel meer dan een groot metalen rek met een bestuurdersplaats voorop. Het maakt een zacht zoemend geluid, heel futuristisch. Toch is het metaal oud en roestig, de verf afgebladderd.

Op de laadbak, in het rek, staan flessen melk in opgestapelde kratten, ouderwetse flessen met brede hals en een dop van zilverpapier. De kratten rammelen in de laadbak en de flessen rammelen in de kratten als het voertuig tot stilstand komt. De bestuurder stapt af en zet flessen melk bij deuren, soms twee, soms drie of vier. Als hij klaar is gaat hij weer op de bestuurdersstoel zitten en opent een boek. Hij leest. In een cahier met harde kaft maakt hij af en toe een aantekening. Je ziet het meteen: dit is geen gewone melkboer, dit is een Zweedse geleerde, een universiteitsprofessor uit Uppsala met een bril en grijsblond stekeltjeshaar boven een hoog voorhoofd. Zijn intelligentie, zijn inzicht, zijn eruditie, zijn begrip, mijn god! ze storen me mateloos. Hij leest en schrijft en denkt en wekt mijn woede. In de zakken van mijn colbert bal ik mijn vuisten om de eieren die ik altijd bij mij draag om mijn drift te beteugelen en voor heel even lukt mij dat, maar dan barst ik uit en ik gooi de eieren met alle kracht die ik in mij heb tegen de melkkar. Het struif druipt door de kratten, langs het roestige metaal, over de glazen flessen. Een paar spatten zijn zelfs op het cahier van de weledelzeergeleerde terecht gekomen. Verstoord kijkt hij op. Hij is een gemoedelijke vijftiger, maar ik heb hem nu toch echt heel boos gemaakt. Dreigend stapt hij van de kar. Ik draai mij om en vlucht, met grote sprongen over de grond, ik zet mij af met handen en voeten, sterk en snel als een dier, maar hij kan vliegen zonder zich tegen de grond te hoeven afzetten, hij voelt geen weerstand, zo spaart hij zijn krachten, hij zal mij zeker inhalen en dan zal deze sympathieke Zweed mij gruwelijk te grazen nemen.
Duiding
Onder de douche, achter het deurtje, dompel ik mij onder en laat mijn emoties van mij af stromen teneinde mijzelf te reinigen. Het zal mij echter niet lukken om los te laten en verlossing te vinden, want ik durf mij niet bloot te geven. Met het aantrekken van nieuwe kleren lijk ik mij op een nieuwe situatie voor te bereiden, maar deze eerste stap kan geen vervolg krijgen, want de kleding is veel te groot voor mij: het ontbreekt mij aan voldoende zelfvertrouwen en ik ben dus nog niet klaar voor vernieuwing, ik moet nog groeien. Ik sta er alleen voor en ben volledig geïsoleerd. Niemand staat mij bij, ik ben de enige mens in de stad. Toch weiger ik mijn verantwoordelijkheid te nemen en ik geef het heft uit handen: in plaats van mijn eigen weg te kiezen, stap ik in het trammetje en laat mij sturen. In de zonnige rust die ik ervaar vind ik een vorm voor mijn emoties, een werkelijke, die mij diep raakt – het lukt mij echter niet die verlossende muziek vast te leggen zodat ik haar aan anderen zou kunnen communiceren. Integendeel: de confrontatie met mijn diepere emotionele laag doet de vriendelijke zomerse tramrit verkeren in een dolle trip op de achtbaan, een dodemansrit die mij ziek maakt. Ik moet mij weer in het donker verbergen om tot mijzelf te komen. Daar wordt melk bezorgd en, dat weet iedereen, als er in een droom melk gemorst wordt, verwijst dat naar een zaadlozing. De melk echter blijft gevangen in de verzegelde flessen en mijn levensdrift blijft dus gekerkerd. In plaats hiervan treedt nietszeggend redenerend denkvermogen naar voren in de persoon van de Zweedse professor. Uit machteloze woede hierover gooi ik eieren naar de melk (NB!), maar daarmee bereik ik niets: ik raak slechts het omhulsel en mijn actie zal dus geen vrucht dragen. Integendeel. Ik moet zelfs weer op de vlucht slaan voor mijn losgeslagen emotie en voor het begrip daarvan, het begrip dat mij koste wat kost ingepeperd zal worden door de Uppsalaanse geleerde, want Zweed staat voor Viking en Viking staat voor strijd en ontdekking, en dit is bovendien een gestudeerde Viking en mijn god! wat ben ik op de vlucht voor die vent en hoe goed kan ik vluchten, maar hoe pijnlijk zinloos zal mijn vlucht uiteindelijk blijken te zijn.
Dus
Freud was geen arts, hij was een verhalenverteller.
