
Dit bidprentje had mijn vader altijd aan de muur hangen – in een lelijk eikenhouten lijstje met een donkergroen papiertje eronder.
Na het overlijden van mijn moeder heb ik uit de nagelaten spullen wat zilverwerk meegenomen. Niet om de zilverwaarde – die had het zo goed als niet – maar omdat ik het als kind altijd op tafel en in de kast had zien staan. Onlangs heb ik het bidprentje in een van de zilveren fotolijstjes gedaan. Ook niet mijn smaak, maar in ieder geval mijn vader en moeder bijeen gebracht.
Ik had altijd gedacht dat het bidprentje voor mijn vaders vader bestemd was, de opa die ik nooit gekend heb. Dat bleek niet het geval. Ik denk dat mijn vader het ooit een keer bij een antiquair op de kop getikt heeft. De gravure, op dun perkamentachtig papier gedrukt, verbeeldt een Ecce Homo; op de achterzijde wordt opgeroepen te bidden voor de nagedachtenis en het zieleheil van Gerardus Eleutherius Bonnike, overleden op vrijdag 11 november 1808 in Amsterdam en geboren op dinsdag 20 november 1742 in Hopsten, Duitsland.
Uit nieuwsgierigheid heb ik de naam opgezocht op een paar sites voor genealogisch onderzoek. Uiteindelijk vond ik zijn vrouw (Maria Theresia Klumper, 1756-1814) en hun zoon Johannes Emanuel Bonnike (1798-1882), maar ook, en dat is nog sprekender, zijn ouders Gerardus Bonnike (1709-1796) en Gesina Genoveva Mengering (1720-1790) en de vermelding van zijn grootouders van vaderskant Antonius Bonnike (1680-?) en zijn tien jaar jongere vrouw Anna Bonnike (1690-?).
Dit tere stukje papier, door mij ingelijst in 2025, voert je terug naar 1680 en overbrugt daarmee in enen een periode van 345 jaar.
Dat betekent helemaal niks natuurlijk, maar het boeit me wel.