za. apr 18th, 2026

Het is hier om te stikken zo heet. De geur van schimmel en vermolmd papier plakt een  muffe, vunze smaak op mijn tong en in mijn keel. Aan mijn vingers kleeft gruizig stof. Waar ik het zweet van mijn gezicht veeg, blijft een grauwe smeer. Ik sta in het achterste kamertje aan het einde van de lange smalle gang op de zolderverdieping van antiquariaat In Antiquis Libri . Hierboven, vlak onder het verzengende dak, is mijn jarenlange zoektocht tot een gelukkig einde gekomen. Eindelijk, eindelijk! heb ik het in handen.

Het uiterste noorden van het Kievse Rijk was leeg land, gedomineerd door eindeloze toendra’s, desolate wouden en diepe, zwarte rivieren. Voor mensen was nauwelijks plek in dit vijandig territorium. Er leefde een handvol veehouders, nomaden, die soms, als het voorjaar zich toegeeflijk toonde, een stukje land ontgonnen. Soms ook wierpen ze de visnetten uit. Ze gingen waar het land en het weer hen leidde. Het was een volk van kleine, gedrongen mensen, sterk en pezig, levend in stamverband, geleid door sjamanen.

Roman Fedortsov sloot zich bij hen aan. Roman Sergejovitsj Fedortsov was een Oud-Katholieke monnik die het kerstenen van de heidenen die aan de grenzen van het Russische rijk leefden als zijn heilige plicht beschouwde. ’s Avonds bij het vuur vertelde hij hun over God de Vader en Zijn  Zoon die als de Christos de hele mensheid verlost. Hij liet hun de platen in zijn iconenboek zien en verhaalde hun over de levens der Heiligen. Hij las hen voor uit zijn Bijbel, behendig vertalingen vanuit het Latijn improviserend in woorden en beelden die het natuurvolk begreep.

Met een van zijn bekeerlingen, de visser Nemanja, bevoer hij de kust van de Witte Zee om verafgelegen nederzettingen te bezoeken. Daar, in de meest noordelijke regionen waar de Witte Zee overgaat in wat wij nu de Barentszzee noemen, zuidzuidoost van Nova Zembla, wierp Nemanja zijn net uit om vis voor het avondmaal te vangen. Maar hij ving geen vis. In plaats daarvan haalde hij ongerijmde creaturen uit de diepte van de koude zee naar boven, tientallen, elke dag weer, alle verschillend van elkaar, honderden ondenkbare wezens, nooit eerder aanschouwd en nooit meer gezien nadien. Roman Fedortsov zag dit als een onomstotelijk bewijs van Gods scheppende kracht. Hij schreef hierover zijn Liber Secretorum De Mari, in het laatste kwart van de twaalfde eeuw, ergens in een nu vergeten klooster nabij Novgoro. Het boek beschrijft het resultaat van zes dagen visvangst. Het is Fedortsovs godsbewijs.

Jarenlang ben ik ernaar op zoek geweest en nu, in een achterkamertje op de bovenste verdieping van een smoorheet antiquariaat in Nîmes, heb ik het in mijn handen, in een van die zeldzame 18e-eeuwse Russische vertalingen waarvan er niet meer dan zes bekend zijn: Книга Тайн Моря.

De schepselen die Roman Fedortsov beschrijft zijn gruwelijk en lieflijk tegelijk. Gods schepping is oneindig. Of, zo je wilt: de natuur kent geen grenzen.


Verwar ‘Het boek van de geheimen der zee’ niet met ‘Het boek van de geheime zee’, waarvan alle pagina’s volledig zwart zijn teneinde het geheim te bewaren, of met ‘Het geheime boek der zee’, dat zo geheim is dat niemand weet heeft van het bestaan ervan.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *