
De hele wereld staat op zijn kop. Zomaar ineens. Het ziet er angstaanjagend uit. Basaltzuilen hangen omgekeerd boven mijn hoofd en een rusteloze oceaan deint en schuimt en golft in de laaghangende hemel. De zee omspoelt het gesteente. Waterdruppels vallen op mijn schouders. Ik loop op de wolken, voorzichtig, langzaam, voetje voor voetje; het is lastig mijn evenwicht te bewaren op de onvaste nevel. Dit is een uiterst gevaarlijke situatie. Het basalt is zwaar. Het knarst en scheurt onder zijn eigen gewicht. Een vallende pilaar zal een gat in de wolkenbodem slaan, waardoor lucht wegstroomt naar lagere sferen –de stroming zal mij meesleuren, de diepte in. En met elk steentje dat afbrokkelt, neemt de dichtheid van de basaltformatie af, tot de integriteit van de hele klif bezwijkt. Ook de druppels zout water die op mijn schouders vallen baren mij zorg. Ik heb al gezien hoe druppels zich hier en daar aaneenrijgen tot stralen, hoe dunne stralen zich samenvoegen tot bredere stromen en uiteindelijk zelfs tot kleine watervallen. Als de vanderwaalskrachten die de watermassa nu nog bijeenhouden te klein worden, zal de oceaan zich op mij storten. Ik zal verpletterd worden onder rots, stikken in een ijskoud vacuüm, of verdrinken in een Bijbelse zondvloed, daaraan is geen twijfel. De vraag is slechts wanneer mijn einde zich zal voltrekken.
