za. apr 18th, 2026

Muriel Cross zeurde vreselijk over haar ouderdomskwalen. Haar zoon, John Cleese, kon haar treurzang niet langer aanhoren. ‘Ik weet wel een mannetje in Fulham. Voor honderd pond verlost ‘ie je uit je lijden.’ De grap brak de ban; ze lachte en voor even vergat ze haar pijnen en pijntjes. Omdat het een goede grap was, kon hij vaker gebruikt worden. ‘Zal ik het mannetje in Fulham dan maar bellen?’ werd de standaardopmerking die haar telkens weer even uit haar zelfmedelijden trok.

Ik wil ook zo’n mannetje. Niet in Fulham, dat ligt te ver weg, dat vraagt teveel reistijd. Er moet niet teveel tijd verstrijken tussen opdracht en uitvoering, overtollige tijd die onvermijdelijk leidt tot nadenken over wetten die in de weg staan en praktische bezwaren en onverklaarbare weemoed. Oude-Pekela is goed, of Roggel, of nog beter: Lunteren. Dat is volgens de grote kei op de Lindeboomsberg het middelpunt van Nederland èn het ligt aan de A30, dus snelle aanrijtijden zijn gewaarborgd.

Het is niet voor mijn moeder dat ik het mannetje nodig heb. Mijn moeder is al jaren dood en gecremeerd, haar as uitgestrooid over een zonovergoten veld in een Veluws bosperceel in de buurt van, hoe kan het ook anders, Lunteren (toeval bestaat niet). Bovendien: mijn moeder kloeg nooit.

Ik laat mijn mannetje opdraven als ik me over iemand verbaas.

Als ik over iemand verbaasd ben, komt dat omdat ik de persoon in kwestie een psychopaat vind, een levensgevaarlijke gek met een ondoorgrondelijke gedachten- en gevoelswereld. Ik roep in zo’n geval altijd ‘dìe is gek!’, omdat het ongepast is ‘die moet dood!’ te roepen. Maar het fundamentele onbegrip dat ik ervaar voedt mijn diepstduistere driften en ik zie geen andere uitweg dan deze: even Lunteren bellen.

Over welke mensen verbaas ik mij zo zeer dat ik mijn mannetje moet bellen?

Mensen zoals een spijtbaasje die in het bos zijn hond aan een boom bindt staan hoog op mijn zwarte lijst. Net als de varkenshandelaar en de chauffeur van de veewagen. Als je zo weinig respect hebt voor het leven, ben je het leven niet waard. Zulk volk brengt mij in een oprechte staat van razernij. En wat heb je aan razernij? Niets. Alleen maar slecht voor je hart. Je moet er zo snel mogelijk vanaf zien te komen.

Daarvoor heb ik al van alles geprobeerd.

Meditatie.

Dan zette ik een cd van Arvo Pärt op en liggend op de grond sloot ik mijn ogen en verbeeldde ik mij een wit strand, een blauwe lucht, een ruisende zee die de heldere hemel weerspiegelt en op de bodem van die zuivere oceaan de vlokkige, half vergane lijken van zwijnendealbroker, spijthondenbaas en veevervoerchauffeur.

Hielp niet.

Dus zocht ik mijn toevlucht bij de Dammit-doll.  Zo’n slappe lappenpop met een gedichtje op zijn buik: ‘Whenever things don’t go so well, and you want to hit the wall and yell, here’s a little dammit doll, that you can’t do without. Just grasp it firmly by the legs and find a place to slam it. And as you whack the stuffing out, yell ‘Dammit! Dammit! Dammit!’

Tientallen heb ik er aan rafels geslagen, krijsend op de toppen van mijn longen. Dammit! Hielp ook niet.

Geschreven heb ik, de gruwelijkste sprookjes, en getekend, de meest weerzinwekkende horror. Niets hielp.

Maar nu dan heb ik een telefoonnummer: 0318-(******) . Mijn mannetje in Lunteren schiet mij te hulp. Voor vijfhonderd euro verlost hij mij.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *