za. apr 18th, 2026

Ik ben geen kinnesinnecommunist. Dat wil zeggen: iemand die meer bezit dan ik hoeft de helft van dat extra niet aan mij af te dragen om de boel te verevenen. Ik kan de zon in het water zien schijnen. Bovendien, wat is bezit? Bezit is diefstal en geld bestaat niet. ‘De’ economie? Een verzinsel. Ik ben dan ook geen aanhanger van meer welvaart voor iedereen. Ik ben een aanhanger van meer geluk voor iedereen.

Een samenleving toont haar beschaving aan de hand van de manier waarop zij buitenstaanders behandelt. Iedereen heeft recht op een rustig leven in goede omstandigheden, in de best mogelijke gezondheid en in harmonie met de natuur. Deze overtuiging heeft ertoe geleid dat ik aan de uiterste rand van de maatschappij leef, met mijn rug naar de mensen gekeerd. Ik gun iedereen het allerbeste en ik ben zelfs bereid daarvoor inspanning te leveren. Tegelijkertijd mag van mij iedereen dood. Kan dat samengaan? Blijkbaar. Een voorbeeld.

Ik loop door de dorpsstraat in Lunteren. Voor de snackbar van Johán marcheert een man driftig op en neer. Hij schreeuwt. ‘Rotjoden! Vuile rotjoden!’. Hij strekt zijn rechterarm, de handpalm naar beneden gekeerd en geloof het of niet, hij draagt een lange leren jas en een zwarte hoed. ‘Kankerjoden!’.  Het winkelend publiek loopt met een grote boog om hem heen, versnelt de pas. Een gek? Een gevalletje Tourette? Hij proest, hij snuift, hij scheldt, hij vloekt. Met rukkerige bewegingen paradeert hij over het trottoir. ‘Smerige smoushonden! Dood moeten jullie! Allemaal dood!’. 

AI-afbeelding

Apezat? Of toch gek?

Dan, ineens, gaat hij neer, als een blok slaat hij tegen de grond. Dit is het moment van de waarheid. De gristelijke goegemeente wendt het gelaat af. En wat doe ik? Ook een psychopaat is een mens, ook een antisemiet hoeft niet op straat voor een patatzaak in Lunteren te kreperen, ook de ergste zuiplap hoort erbij, desnoods tegen wil en dank. Dus ik loop op hem toe, maar niet te snel en vanuit mijn ooghoeken spiedend of een ander al gaat zodat ik niet hoef. Zal ik hem moeten reanimeren? Moet ik mijn lippen op die nazimuil drukken, moet ik dat bruine hart weer op gang duwen? Hij ligt languit, met gestrekte armen en benen, als gekruisigd. Zijn zwarte hoed is weggerold en ligt roerloos in de goot. Hij heeft in zijn broek gepist, maar goddank, hij ademt nog en als ik naast hem kniel, zie ik leven in zijn ogen. ‘Kan ik wat voor je doen?’, vraag ik. Hij kijkt me met een vuile blik aan. ‘Flikker op!’, zegt hij, en nog een keer: ‘Flikker op!’ – met en nog vuilere blik.

 Ik sta op. Ik draai mij om. Ik loop weg. Laat ‘m een gruwelijke dood sterven, die kolerelijer, laat ‘m kreperen tussen het straatvuil, dat uitwerpsel, sterf! aan het venijnige gif dat borrelt in dat verrotte FvD-lijf van je!

Ik bedoel maar. Zo beschaafd ben ik nou ook weer niet.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *