
zo lang doordwaalde je mist en nevel
ver van waar het mensdom raast
beklom de toppen der allerhoogste bergen
en zo hoog verheven stond je daar
dat het je verkilde tot op het merg en
dat het je duizelde
zo koud was het water
zo ijl de lucht
spiegelend
de doem der gletsjer in de wolken
bestemming van je reis
die peilloos hoge klif
die immense massa ijs
en verdomd, de zon brak schitterend door
speciaal voor jou
je legde je hand op de kristallijnen kou
en trad binnen in des vorsten grot
(blauwe stilte, bevroren vrede
o, hier te mogen sterven!)
maar toen klonk een gruizig kraken
en je zakte weg in een dode zee
van gitzwarte sintels
in paniek klauwde je je een weg naar buiten
en rennend, vallend, struikelend
hals over kop buitelend als een dwaas
tuimelde je het dal in
waar de kudde in de omheinde weide graast
bijna was je dood, bijna Ötzi
één ding is zeker: nooit meer omhoog
met een kruik op je buik blijf je lekker in bed
waar het warm is en veilig en droog
kleed je uit, kleiner Ötz’lein
was je voeten, poets je tanden
sluit je ogen, vouw je handen
ruil je daden in voor dromen
blaas je kaars uit, dat het donker kome
