za. apr 18th, 2026

Ik ben in een huis zonder dak, in een kamer zonder muren. Ik word verzwolgen door een zee van schuim, opgetild en neergesmeten, omhoog gezogen en in de diepte geworpen, de peilloze diepte met duizend drenkelingen.

Het schuim brandt naar binnen, je schedel in. Het vreet je hersens weg. Daarom moet je een gebreid mutsje op en dat gebreide mutsje moet je goed vasthouden, met twee handen, want anders raak je het kwijt in de woeste golven. En dan ga je kapot, door dat schuim in je kop.

De wolken en de golven wervelen ineen. Alles raast en kolkt en dreunt. Soms hoor ik gehuil dat door merg en been snijdt. Dan weet ik: daar is er een zijn mutsje verloren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *