za. apr 18th, 2026

Om te beginnen: ik heb nooit veel vrienden gehad. In de tijd dat ik op de lagere school zat, had ik speelkameraden: hutten bouwen, voetballen in het park, op bouwplaatsen in de steigers klimmen, dat soort activiteiten, bezigheden die samen met anderen leuker zijn. Maar al die activiteiten liet ik – soms plotseling, middenin het gebeuren – los omdat ik uiteindelijk toch liever alleen was. Ik genoot meer van het alleen met een roeibootje de lege polder in trekken dan van de drukte van welk jongensclubje dan ook.

Dat is altijd zo gebleven. Vriendschappen waren altijd meer gebaseerd op ‘samen dingen doen’ dan op het voelen van een onderlinge vriendschapsband. Ik kan heel betrouwbaar bas spelen in een band. Ik kan een heel gezelschap bijstaan en sturen in het schrijven, vormgeven en uitvoeren van een theatervoorstelling. Ik kan anderen laten voelen hoe fijn het is om te tekenen, om te schrijven, om verhalen en gedichten te lezen. Maar ik ben absoluut ongeschikt voor welk verenigingsverband dan ook.

Dat is ook nu nog zo. Ik kan prima met mensen omgaan, een klein aantal beschouw ik echt als vrienden, maar hoewel ik me uitstekend vermaak in hun gezelschap, het samenzijn blijkt achteraf altijd een uitputtingsslag geweest te zijn waarvan ik moet bijkomen.

De eigenschap die ik het meest waardeer in vrienden is de eigenschap dat de vriendschap niet steeds bewezen hoeft te worden. De band is vanzelfsprekend, ook als ik er niet ben, zelfs als ik er vaak niet ben. Zijn we bijeen, dan is het goed. Zijn we niet bijeen, dan is het ook goed. De vriendschap lijdt er niet onder.


Dit is de 4e vraag van de Proust-vragenlijst.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *