Ik heb sterk de neiging het anderen naar de zin te maken. Liever ondersteun ik een ander, dan dat ik voor mijzelf kies. Vandaar dat ik meer dan 42 jaar in het onderwijs gewerkt heb, vandaar dat ik basgitaar speel in plaats van sologitaar en vandaar dat ik zo’n gloeiende hekel heb aan egoïstische profiteurs en arrogante machtswellustigen.
Deze eigenschap van mij is misschien wel meer dan zomaar een karaktertrek – het zit zo diep, dat je van een kernwaarde kunt spreken. Ik heb heel veel moeite moeten doen om ook aan mijzelf te leren denken.
Het heeft denk ik ook met mijn opvoeding te maken. Presteren, en vooral presteren voor een ander, was een noodzaak. Mijn vader was veeleisend. Niet presteren betekende in ongenade vallen. Daardoor ben ik zeer gedisciplineerd geworden en kan ik verwachtingen overtreffen. Dat heeft grote voordelen. Het heeft ook grote nadelen.
Nu ik zoveel ouder ben, ergert mijn altruïsme mij weleens. Dan reageer ik geïrriteerd op de mensen die iets van mij verwachten – ook al verwachten ze helemaal niets van mij. Dat kan uitermate verstorend zijn.

‘Wat is je voornaamste eigenschap?’ is vraag 7 van de Proust-vragenlijst.