
De schepper van de Golem, rabbi Judah Loew ben Bezalel (1512-1609), bekend als de ‘Maharel’, een acroniem voor ‘Moreinu Ha-Rav Loew (מורינו הרב ליווא)’, wat in het Nederlands betekent ‘Onze Leraar, Rabbi Loew‘, was aan het eind van de zestiende eeuw de belangrijkste wijsgeer en geestelijk leider van het Praagse getto. Loew, filosoof, astronoom, wiskundige, natuurkundige, astroloog, was een schoolvoorbeeld van de veelzijdige Renaissance humanist.
De Maharel hing twee tegengestelde principes aan die hij in zijn filosofie trachtte te verzoenen. Een horizontale of menselijke macht in de vorm van wetenschap, twijfel, creativiteit, sociale omgang en haaks daarop een verticale macht, de macht van God, die de aardse mens reduceerde tot stof en nietigheid.
Deze zienswijze van loodrecht op elkaar staande principes levert een glashelder beeld op van de relaties die de mens heeft tegenover de wereld en tegenover God. Verzoening daartussen kan wat mij betreft achterwege blijven, zijnde onnodig. Beide bestaan, en beide zijn waar – hun onverenigbaarheid is schijn. Je staat op beide manieren in het leven, op elk moment. Het is als met het beeld van de vaas en de twee gezichten – het vereist een ongelofelijke inspanning om beide tegelijk te zien, er is slechts dat korte moment van overgang, en het is onmogelijk deze dubbele waarneming voor langere tijd vast te houden. Je kan niet anders dan steeds één enkele voorstelling aanschouwen, terwijl beide toch te allen tijde aanwezig zijn.

Sommige mensen zijn zo gefixeerd op de vaas dat ze de gezichten nooit zullen zien – anderen zien de vaas niet omdat ze naar de gezichten blijven staren.