ik droomde van een nieuwe oude stad
luid zwetend werd ik wakker
volkomen overweldigd, vermorzeld
uitgeput
ik zag het nieuw jeruzalem, zeg ik
en linda’s hart springt open
haar ogen glanzen
de gouden stad ziet zij
met gouden straten
oogverblindend schitterend
levensboom en levensader
een wit paard met veren vleugels
dampend in het ochtendlicht
engelen van sterrenstof
god zelf op zijn troon
en een vroom gelukkig volk
in vreedzame liefde één
zij smeekt mij:
toe, vertel me, hoe is het daar
en ik vertel
hoe duister het is, hoe vies en vochtig
vol vuil bederf en ziekte het portaal
binnen onder het kruisgewelf
daar ligt een aardse hel
slikkers en spuiters en stierenpisdrinkers
liggen laveloos lallend in het schip
hoeren en snoeren achter elke pilaar
en bekkensnijders in iedere nis
de pastoor paait een koorknaap in de biechtstoel
de bisschop grijpt een cherub achter ’t heilig altaar
de kardinaal op de kansel met ‘t portret van bernadette
en op het offerblok, bij kaarslicht, naait de satan de paus
en beneden in de crypte
daar is het één glinsterende slijmerige berg van lijven
het kronkelt en konkelt, het gniept en gluipt en glijdt
in de gloed van groene vlammen
en uit de zwavelgele rook
verrijst gillend van wellust
het rijke roomse spook
linda huivert
is dát het nieuwe jeruzalem?
dan eerder toch nieuw babylon
met dat geile gillende spook
ik sla me voor m’n kop
natuurlijk
dat bedoel ik ook
