Het is een lang gebouw, om een rechthoekige binnenplaats gebouwd. Alle douches zijn op de begane grond. Ik woon onder de grond. Daar zijn ook de slaapzalen.
Ik wil douchen, maar alle douches zijn smerig. Schimmel. Vuil. Vet. Ongedierte. Roest. Kalk. Alles is kapot. Bovendien zijn het allemaal open douches, voor iedereen in het zicht. Er zijn maar twee douchehokjes die schoon zijn en afgesloten kunnen worden, in de verste hoek van het gebouw. Een van die douches wil ik gebruiken.
Mijn handdoek en zeeptasje neem ik onder mijn arm. Ik sta op het punt heen te gaan, als er een mechanische bel klinkt. Het geschuif van stoelen en het geroffel van honderden voetstappen weerklinkt. In de gangen galmen stemmen. Het werk voor de nachtploeg zit erop. Nu gaat iedereen douchen. En allemaal willen ze natuurlijk in die schone afgesloten douchehokjes.
Ik haast me naar boven. Overal stroomt al water. Ik ben te laat. Ik moet me gewoon bij een wc-kraantje wassen, met mijn blote voeten op de smerige tegels.
